Evangelisatie in het boek Handelingen

Image created by Kjpargeter

Publicatie met dank aan: De Stem / Herold-Schriftenmission e.V.

[Dutch] Het boek Handelingen vertelt ons over de eerste christenen – beginnend bij de hemelvaart van Jezus, over het geboorteuur van de gemeente en haar ontwikkeling, beginnend in Jeruzalem tot Samaria en uiteindelijk tot in het Romeinse Rijk. Handelingen 1:8 is als het ware het sleutelvers van het hele boek:  »maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.

Het feit dat Handelingen met het zendingsbevel van Jezus begint laat ons zien wat de opdracht van de gemeente van Jezus is: wereldwijd getuige van Jezus Christus zijn – van zijn persoon, zijn werk, zijn verlossingswerk. Of, zoals Jezus het al in het hogepriesterlijk gebed uitdrukte: »Zoals U Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden. En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven, opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt« (Johannes 17:18-21). De eerste prioriteit van de gemeente van Jezus is de verkondiging van het Woord (het evangelie van Jezus Christus) opdat mensen in de hele wereld door het verkondigde Woord geloven en door het geloof tot eenheid met Christus en met de gelovigen wereldwijd komen.

Voor de eerste christenen bestond er geen enkele twijfel dat het evangelie de beste boodschap is die ze aan een zondige, van God afgevallen en verloren wereld konden brengen. Daarom riskeerden ze vaak heel veel – velen zelfs hun leven – om aan de verloren wereld Christus als Redder te verkondigen. Hun boodschap was niet een onvoorwaardelijk »ja« van Gods kant aan de mensen, dat God ons liefheeft zoals we zijn maar – in tegendeel – hun ogen te openen voor hun jammerlijke geestelijke toestand en hun dan Christus in al zijn heerlijkheid als de door God gezonden Redder, Koning en Heer voor te stellen.

Maar ook als de boodschap steeds dezelfde is vinden we toch verschillende situaties waarin God deze boodschap door zijn getuigen aan verschillende mensen brengt.

In hoofdstuk 16 van Handelingen begint Paulus aan zijn tweede zendingsreis waarbij God hem door de Heilige Geest heel doelbewust naar Macedonië, preciezer gezegd naar Filippi leidt. En daar, in Filippi, laat God het heldere licht van het evangelie schijnen in het leven van drie mensen die nauwelijks meer verschillend van elkaar kunnen zijn: een welgestelde vrouw, een bezeten slavin en een keiharde gevangenbewaarder. Of beter gezegd: een welgestelde zondares, een bezeten zondares en een keiharde zondaar.

Een welgestelde zondares
En een zekere vrouw, van wie de naam Lydia was, een purperverkoopster uit de stad Thyatira, die God diende, luisterde naar ons. En de Heere opende haar hart, zodat zij acht gaf op wat door Paulus gesproken werd. En toen zij gedoopt was, en haar huis genoten, drong zij er bij ons op aan: Als u van oordeel bent dat ik trouw ben aan de Heere, kom dan in mijn huis en blijf er. En zij drong er sterk bij ons op aan« (Handelingen 16:14-15).

God had het hart van Lydia al voor het evangelie voorbereid. Met andere vrouwen kwam ze – blijkbaar regelmatig – samen om te bidden. Als »purperverkoopster« hoorde ze bij de hogere middenstand van Thyatira, destijds een belangrijke handels- en industriestad die bekend stond om haar purpernijverheid. Maar ondanks haar materiële welstand was Lydia op zoek naar God. Ze had ontdekt dat een prettig leven als succesvolle zakenvrouw met een eigen woning niet alles is. En toen Paulus het evangelie verkondigde opende God het hart van deze vrouw zodat ze tot reddend geloof in Christus kwam. Hier krijgen we een kijkje in dat wat voor een ware bekering nodig is: ten eerste het genadige handelen van God in het hart van een mens zonder welke geen mens tot geloof kan komen; ten tweede is de verkondiging van het evangelie nodig want »hoe zullen ze geloven in Hem van wie ze niet gehoord hebben?« (Romeinen 10:14); en ten slotte is de reactie van de zondaar nodig – Lydia luisterde aandachtig, ze geloofde en liet zich dopen. Maar er komt nog meer, want voor Lydia was het geloof in God geen privéaangelegenheid, daarom opende ze haar huis voor het evangelie en voor de gemeente van Jezus (vgl. vers 40).

Een bezeten zondares
En het gebeurde toen wij naar de plaats van het gebed gingen, dat een zekere slavin die een waarzeggende geest had, ons tegemoetkwam. Zij verschafte haar meesters veel inkomsten met waarzeggen. Zij liep achter Paulus en ons aan en riep voortdurend: Deze mensen zijn dienstknechten van God, de Allerhoogste, die ons een weg naar de zaligheid verkondigen. En dat deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, die zich daaraan ergerde, keerde zich om en zei tegen de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus uit haar weg te gaan! En hij ging op hetzelfde moment uit haar weg« (Handelingen 16:16-18).

Bijna overal waar Paulus optrad kwam er trammelant. Bij de bevrijding van deze slavin werd hij zelfs gearresteerd zoals we zo meteen nog zullen zien.

Aan de buitenkant gezien kon het verschil tussen Lydia en deze slavin niet groter zijn. Lydia, een zelfstandige, vrije vrouw in goede doen en een slavin wier naam we niet vernemen die het eigendom van anderen was en daarbij ook geestelijk gebonden. Maar wat God betreft was hun verschil hooguit het verschil in afstand tussen mij en de maan, of ik op de grond sta of op een stoel.

We ervaren jammer genoeg niet of deze jonge vrouw die met haar eigen mond God en zijn heilsplan luid uitgeroepen heeft ook een innerlijke bekering zoals Lydia heeft mogen beleven. Maar ze werd in de naam van Jezus van haar geestelijke gebondenheid verlost. Deze dramatische verandering was een groot getuigenis van de kracht van de Verlosser.

Een keiharde zondaar
En de menigte kwam als één man tegen hen in verzet. En de magistraten rukten hun de kleren af en gaven bevel hen met stokken te slaan. En nadat zij hun veel slagen toegediend hadden, wierpen zij hen in de gevangenis en geboden de cipier hen zorgvuldig te bewaken. En toen hij dat bevel gekregen had, wierp hij hen in de binnenste kerker en zette hij hun voeten vast in het blok. En omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen lofzangen voor God. En de gevangenen luisterden naar hen. En er vond plotseling een grote aardbeving plaats, zodat de fundamenten van de gevangenis bewogen werden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en raakten de boeien van allen los. En de cipier, die wakker geworden was en zag dat de deuren van de gevangenis open waren, trok een zwaard en zou zichzelf gedood hebben, omdat hij dacht dat de gevangenen ontvlucht waren. Paulus riep echter met luide stem: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allemaal hier. En toen hij om licht gevraagd had, sprong hij naar binnen en begon erg te beven, en hij viel voor Paulus en Silas neer; en hij bracht hen naar buiten en zei: Heren, wat moet ik doen om zalig te worden? En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden, u en uw huis genoten. En zij spraken het Woord van de Heere tot hem en tot allen die in zijn huis waren. En hij nam hen in dat nachtelijke uur met zich mee en waste hun striemen, en hij werd onmiddellijk gedoopt, en al de zijnen« (Handelingen 16:22-33).

Hoe zouden Paulus en Silas deze uren in de gevangenis ervaren hebben? Hoeveel uur zijn er wel voorbijgegaan voor ze van het klagen over de pijn van de striemen en de omstandigheden in de gevangenis overgingen tot het jubelen over God en zijn wegen? Hoe moeten de andere gevangenen zich gevoeld hebben die vermoedelijk tot op deze dag alleen maar gevloek en woede meegemaakt hadden, maar nu gebeden en lofliederen uit de donkere kerker horen?
Paulus en Silas waren alleen in staat om God te loven omdat ze zeker wisten dat ook deze situatie bij zijn soevereine plan hoorde. Hij leidt zijn kinderen nooit door het donkere dal zonder dat Hij aan het eind iets beters klaar heeft liggen.

De cipier aan wie de beide boodschappers van God overgeleverd waren, was een keiharde man. Vermoedelijk was hij door de jarenlange omgang met misdadigers verhard en had hij geen spoor van medelijden met zijn gevangenen. Hij hield geen rekening met hun wonden, wierp hen in de binnenste kerker waar geen licht en geen frisse lucht konden binnendringen en zette hun voeten in het blok, twee lange, ruwe blokken hout die om de enkels van de gevangenen werden gedaan en die zo strak zaten dat de voeten er niet meer uitgetrokken konden worden. De gevangenbewaarder was heer en meester in zijn kleine, duistere domein. Zijn gevangenen waren hulpeloos en zonder bescherming aan hem overgeleverd. Deze omstandigheid beschrijft precies wat in geestelijk opzicht op de cipier zelf van toepassing was, maar waarvan hij zich tot deze nacht niet bewust was.

Om middernacht wordt hij plotseling wakker en krijgt hij met de wel grootste crisis van zijn leven te maken. De aanblik van de open gevangenisdeuren en de angst alle gevangenen »kwijt« te zijn, laat hem nog maar één uitweg zien: een einde aan zijn eigen leven maken!
De afloop van deze geschiedenis hebben we net gelezen. Vol naastenliefde en zonder een spoor van wraakgedachten voor de slechte behandeling weerhoudt Paulus de cipier van zelfmoord en toont hem de weg naar het eeuwige leven.

Alle drie gebeurtenissen in Filippi tonen ons dat Gods evangelie voor alle soorten mensen geldt – voor zowel de welgestelden als de slaven, voor de misdadigers alsook voor de cipiers – in wat voor levenssituatie ze zich ook bevinden. Het evangelie van Jezus Christus is de kracht van God tot redding voor ieder die dit gelooft. Het is steeds deze ene boodschap en het is steeds aan de genade van God en de werking van de Heilige Geest te danken als mensen de waarheid van het evangelie inzien. Deze gebeurtenissen tonen ons echter ook dat God te allen tijde alle dingen onder controle heeft. Ook als we het gevoel hebben dat de dingen verkeerd gaan en we vastzitten mogen we toch weten dat alles volgens Gods plan verloopt. Hij gebruikt zijn verlosten ondanks hun zwakheden en beperkingen om de verloren en behoeftige mensen van deze wereld zijn heerlijke evangelie te verkondigen en eeuwig leven te geven. Laten we daarom bereid zijn te allen tijde rekenschap af te leggen van de hoop die we in Christus hebben (vgl. 1Petrus 3:15).

Comments

mood_bad
  • No comments yet.
  • Add a comment