Slaven worden zonen en dochters

Image created by Prostooleh
Publicatie met dank aan: De Stem / Herold-Schriftenmission e.V.

De Bijbel zegt dat ieder mens vanaf zijn geboorte geestelijk dood is, verkocht onder de zonde en daardoor hulpeloos overgeleverd aan de zonde en aan de toorn van God over de zonde. God heeft een ontelbare menigte uit deze jammerlijke toestand op de slavenmarkt van de zonde vrijgekocht en tot zijn eigendom gemaakt, dat is een heerlijke boodschap – verreweg de heerlijkste boodschap die het menselijke oor ooit kan horen. De heerlijkheid hiervan kan echter alleen gezien worden met de ogen van hen die van tevoren erkend hebben dat ze zonder Christus hopeloos aan de macht en de straf van de zonde uitgeleverd waren.

En hoeveel heerlijker wordt dit als we bedenken hoe ongelooflijk hoog de prijs was die God voor onze verlossing heeft betaald: »U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus« (1 Petrus 1:18-19). Een hogere prijs zou God niet hebben kunnen betalen, maar niets minder dan deze hoge prijs was nodig om ons te verlossen. Gods verlossing is pure genade – niemand heeft die verdiend! Het is een geschenk aan verdorven mensen die tot de dag van hun verlossing hebben geweigerd Hem die hen verlost heeft te eren. En waartoe deed God dat alles? Het antwoord op deze vraag vinden we op vele plaatsen in de Bijbel: alleen tot lof van de heerlijkheid van zijn genade! (Psalm 79:9; Psalm 115:1; Jesaja 43:7; Jesaja 48:9; Ezechiël 20:44; 1 Corinthe 6:20; Efeze 1:6, 12, 14 en nog veel meer).

Maar wat schetst onze verbazing: God doet nog veel meer dan dat: In het begin van het Johannesevangelie schrijft de apostel: »Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;   die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.« (Johannes 1:12-13). De troostende afscheidsrede die Jezus op de avond van zijn gevangenneming en aansluitende terechtstelling tot zijn discipelen richtte vindt haar hoogtepunt in de woorden: »Ik noem u niet meer slaven, want een slaaf weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, bekendgemaakt heb.« (Johannes 15:15).

In Jezus Christus, onze Heer, zijn we niet alleen van de zonde, de verschrikkelijke tiran en grootste vijand van de mens verlost, we zijn niet alleen door de heerlijkste en barmhartigste Heerser, Christus, gekocht, nee, Hij heeft ons zelfs tot kinderen van God en tot zijn mede-erfgenamen benoemd: »Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen.« (Galaten 4:4-5).

We waren kinderen van de toorn, zonder een enkele hoop, zonder vrijheid en zonder God, maar in Christus werden we burgers van zijn koninkrijk, leden van zijn familie en erfgenamen van het eeuwige leven (vgl. Efeze 2:3, ff). Iedere poging om deze verandering met aardse vergelijkingen te verklaren zal tekortschieten. Laten we eens aan de vele weeskinderen denken die George Müller uit de ellende van de straten van Bristol haalde om voor hen een liefdevolle vader te zijn – dit voorbeeldige handelen van George Müller was alleen zijn reactie op wat hijzelf in Christus en door Christus mocht ervaren en het komt niet bij benadering in de buurt van het genadige werk van God.

In zijn boek »God leren kennen« schrijft James I. Packer: »Het kindschap van God is dus een genadegave. Het is geen natuurlijk kindschap maar een kindschap door adoptie, zoals het Nieuwe Testament nadrukkelijk betuigt (vgl. Galaten 4:4-5). In het Romeinse recht was het een gangbaar gebruik dat iemand die een erfgenaam wilde hebben die zijn familienaam verder zou dragen een jonge man als zijn zoon adopteerde. Deze geadopteerde was gewoonlijk een jongeman en geen klein kind zoals het tegenwoordig gebruikelijk is. Nu verklaren de apostelen dat God hen die Hij aan het kruis verloste zozeer heeft liefgehad dat Hij hen allen als zijn erfgenaam adopteerde opdat ook zij deel zouden krijgen aan de heerlijkheid die zijn eniggeboren Zoon al binnengegaan was. »…  zond God zijn Zoon…  om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen  (sommige vertalingen schrijven: opdat ze de volle rechten van zonen zouden ontvangen) zouden worden« (Galaten 4:4-5). Het gaat hierom: »Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden (sommige vertalingen schrijven: tot zoonschap – letterlijk: adoptie), door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade« (Efeze 1:5-6). »Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft: dat wij kinderen van God worden genoemd. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is« (1 Johannes 3:1-2).

Het kindschap van God dat ieder die in Christus gelooft door God geschonken wordt is het grootste voorrecht dat door de verlossing naar ons toekomt. Want alleen dat geeft ons de diepte en de mate van gemeenschap die we als kinderen van God met Hem, onze Vader, mogen hebben. Bovendien mogen we weten dat ook niet een van zijn kinderen verloren gaat (vgl. Johannes 10:28-29; Judas 1:24-25; 1 Petrus 1:5). Om ons de innerlijke zekerheid van het eeuwige kindschap van God te geven heeft God »de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus« (Galaten 4:7).

Laten we elkaar met het oog op deze overweldigende genade bemoedigen en ons licht laten schijnen voor de mensen opdat ze onze werken – en daardoor de veranderende kracht van Gods genade – zien en onze Vader in de hemel prijzen en de Vader dankzeggen die u bekwaam gemaakt heeft voor het erfdeel van de heiligen in het licht (vgl. Mattheüs 5:16; Colossenzen 1:12).

Comments

mood_bad
  • No comments yet.
  • Add a comment